Auteur: Jan Bouius Datum: 25-06-2021

Afgeslankt infrastructuurplan zet Wall Street hoger

Op Wall Street zat de stemming er gisteren goed in getuige de nieuwe slotrecords die de S&P 500 en de Nasdaq op de borden neerzetten. Het was echter de Dow Jones met zijn ‘oude industriële’ bedrijven die met een plus van 0,95 procent als winnaar de dag uitging.

Beleggers waren goed geluimd door de voorlopige deal die president Biden met een select groepje Democratische en Republikeinse senatoren wist te sluiten betreffende zijn infrastructuurplan. Maar waar Biden dit plan nog op 31 maart presenteerde als zijn grootse ‘American Jobs Plan’ ter grootte van 2.250 miljard dollar, ligt er nu een uitgekleed infra ‘light’ plan op tafel om de komende jaren 579 miljard dollar extra in infrastructuur te investeren. Samen met de normale uitgaven komt dat uit op 1.209 miljard dollar voor de komende acht jaar.

Hiervan wordt ongeveer 109 miljard dollar gereserveerd voor reparaties aan bruggen en wegen, 73 miljard dollar voor het verbeteren van het elektriciteitsnet, 66 miljard dollar richting spoorwegen, 65 miljard dollar voor de uitrol van breedband internet, 55 miljard dollar om het waternetwerk te verbeteren, onder andere door de vele loden pijpen te vervangen en 49 miljard dollar voor het openbaar vervoer. Ook moet er een netwerk van 500.000 laadpalen voor elektrische auto’s worden uitgerold.

Het is een uitgekleed akkoord waarbij gewenste investeringen in het onderwijs, klimaatverandering en gezondheidszorg zijn weggelaten, dus of de linkse hoek van de Democraten daar wel mee in willen stemmen is nog maar de vraag. Daarnaast zal het plan waarschijnlijk ook nog worden aangegrepen om het schuldenplafond te mogen verhogen, een onderwerp dat vanaf 1 augustus weer actueel gaat worden. We zijn er nog niet, maar de eerste aanzet is gegeven. Geen wonder dat Caterpillar, de grote fabrikant van bouwmachines, de Dow aanvoerde met een plus van 2,6 procent. Het is ook goed nieuws voor onze belegging in Holcim, de Frans-Zwitserse producent van bouwmaterialen (beton en cement) dat immers 16 procent van de omzet in de Verenigde Staten realiseert.

Nike ‘Just did it’

Het Amerikaanse sportartikelenmerk Nike publiceerde gisteren nabeurs verbluffend goede cijfers en een heel fraaie outlook. In het vierde kwartaal, dat bij Nike op 31 mei eindigt, scoorde het een omzet van 12,34 miljard dollar, bijna een verdubbeling ten opzichte van een jaar geleden. Analisten hadden op 11 miljard dollar gerekend. De veel beter dan verwachte Noord-Amerikaanse verkopen compenseerden ruimschoots de wat tegenvallende Chinese verkopen, waar consumenten westerse merken boycotten vanwege de Oeigoerse kwestie.

Over het hele boekjaar zag Nike de omzet met 19 procent stijgen tot 44,5 miljard dollar, waarop het concern een nettowinst wist te behalen van 5,73 miljard dollar. Nike verkoopt daarbij zelf steeds meer direct aan de consument via eigen winkels en online dus zonder tussenkomst van andere grote winkelketens. Deze directe verkopen stegen vorig jaar met 32 procent tot 16,4 miljard dollar (9 miljard dollar online) en vertegenwoordigen nu al bijna 37 procent van het totale volume.

Nog belangrijker misschien wel was de positieve outlook. De consument spendeert zijn geld na de lockdown volop aan sportschoeisel en -kledij. Nike verwacht het komend jaar een omzet te behalen van meer dan 50 miljard dollar. Dat is minimaal 11 procent meer. Nabeurs steeg het aandeel hierop met 12 procent. De aandelen van Adidas, waar we bij Fintessa in beleggen, weten vandaag fraai mee te liften met een stijging van 5 procent. We zijn benieuwd of Adidas bij de presentatie van de halfjaarcijfers op 5 augustus de resultaten en verwachtingen van Nike kan overtreffen.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.