Auteur: Jan Bouius Datum: 04-08-2021

Beleggers op recordjacht

Bij het krieken van de beursdag ziet het er op het Damrak heerlijk zonnig uit. Beleggers zijn met de AEX weer op recordjacht. Dit gebeurt in navolging van Wall Street dat gisteren 0,8 procent wist te plussen met een nieuw slotrecord voor de S&P 500. Daarnaast zien we in China de eerste koopjesjagers opduiken bij de techgiganten, nadat Chinese staatsmedia de toonzetting van hun kritiek op de gaming sector wat afzwakten. Ook bleek de Chinese dienstensector het in juli beter te doen dan verwacht. Het door Markit gepubliceerde indexcijfer kwam uit op 54,9 tegen 50,3 in juni.

Ongetwijfeld zullen er ook beleggers zijn die bij de nieuwe all-time highs hoogtevrees krijgen, maar de goede stemming komt niet zomaar uit de lucht vallen. Zo’n 89 procent van de bedrijven uit de S&P 500 rapporteerde beter dan verwachte winstcijfers en dat is het hoogste cijfer ooit door Refinitiv gemeten. De bedrijfswinsten stegen in het tweede kwartaal niet met de verwachte 65,4 procent, maar met maar liefst 90 procent! Afgezien van een lichte teleurstelling hier en daar kunnen we dan ook spreken van een fantastisch cijferseizoen. En de verwachtingen voor het komend halfjaar liegen er evenmin om. Analisten verwachten dat de winsten over het derde kwartaal met gemiddeld 29,6 procent zullen stijgen ten opzichte van een jaar geleden en over het vierde kwartaal met 21,2 procent.

Kijken we naar Europa, dan zien we volgens data van Bloomberg dat tot nu toe ‘slechts’ 63 procent van de Stoxx 600 bedrijven de winstverwachtingen heeft verslagen. Waarschijnlijk doen analisten hier beter hun werk of worden ze beter ingefluisterd… Het is fraai om te zien dat de verwachte winst per aandeel intussen hoger staat dan halverwege februari 2020. Daarmee is de coronadip weggewerkt.

Volgende desinvestering Shell op komst?

Nadat Shell half juni al bekend maakte zijn vervuilende schalieolievelden in het Permian Basin in Texas en New Mexico in de etalage te willen zetten, u heeft er in ons beursbericht van afgelopen maandag al over kunnen lezen, lijkt Shell nu voor te sorteren op een exit uit Nigeria. De aanwezigheid van Shell in Nigeria is al tientallen jaren omstreden, mede vanwege de immense milieuvervuiling. Hoewel het merendeel van de olielekkages veroorzaakt wordt door sabotage, en hoewel Shell slechts 30 procent van de aandelen in de Shell Petroleum Development Company of Nigeria bezit tegenover 55 procent in handen van het Nigeriaanse staatsbedrijf NNPC, is het vooral Shell dat daarvoor door de buitenwereld wordt veroordeeld.

Het lijkt, met de gerechtelijke uitspraak van de rechter nog vers in het geheugen dat Shell de CO2-uitstoot voor 2030 sterk moet verminderen, nu dan ook een goede zaak om hier versneld gehoor aan te geven. In de praktijk houdt dat in: verkopen, een aanzienlijk deel van de opbrengst in een herstelfonds van de regio stoppen, en een positievere ESG-rating nastreven. Hoe groener de kasstroom, hoe hoger de waardering daarvoor op de beurs en dat kan uiterst positief uitpakken voor de aandeelhouder.

Stille aanbidder voor Roche

Het opmerkelijkste nieuws van de dag is hoogstwaarschijnlijk dat de Japanse investeerder Softbank geheel geruisloos een belang van maar liefst 5 miljard dollar in de Zwitserse farmaceut Roche heeft opgebouwd. Voor veel beleggers zal dit compleet uit de lucht komen vallen, want bij Softbank denk je vooral aan investeringen in technologiebedrijven als ARM Holdings, waarvan de beoogde verkoop aan Nvidia momenteel door de Britse mededingingsautoriteiten vanwege de nationale veiligheid, op losse schroeven staat.

Maar Softbank had eerder dit jaar al te kennen gegeven meer geld te willen investeren in de biotech- en gezondheidszorgsector, dus zo vreemd is het ook weer niet. De keuze voor Roche wordt daarbij ingegeven door het feit dat Softbank vindt dat Roche’s Genentech-divisie, dat als een grondlegger voor de huidige biotech-industrie wordt beschouwd, sterk ondergewaardeerd is.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.