Auteur: Jan Bouius Datum: 24-05-2021

Beurzen licht hoger

De Amerikaanse beurzen gingen afgelopen vrijdag na een in eerste instantie eensgezinde hogere opening, verdeeld de dag uit. Als reden hiervoor werd het inflatiespook genoemd, dat gedurende de dag weer eens de kop opstak. Logischerwijs had dit de meeste impact op de technologiebeurs Nasdaq, die uiteindelijk dan ook met een verlies van een half procent de dag uitging. De Dow hield de voeten nog droog met een plus van ongeveer een derde procent.

Het inflatievreesvuurtje werd mede opgestookt door de voortreffelijke cijfers van de Amerikaanse industrie en dienstensector, waarbij ongetwijfeld de echo van de Fed-notulen nagalmden. Een aantal bestuurders suggereerde immers wel open te staan voor een discussie over wanneer de Fed zou kunnen beginnen met de afbouw van het obligatie opkoopprogramma. Als vervolgens de Amerikaanse economie volgens de inkoopmanagersindices harder blijkt te groeien dan verwacht is de optelsom van de beleggers snel gemaakt. Die genoemde inkoopmanagers indices verbeterden bij de industrie van 60,5 in april naar 61,5 in mei en bij de dienstensector van 64,7 in april naar maar liefst 70,1 nu, en dat terwijl voor beide indices vooraf door economen een daling was ingecalculeerd.

In het kielzog van de tamme stemming op Wall Street komen de Europese beurzen vandaag licht hoger uit de startblokken. Dat geldt niet voor Frankfurt en Zürich want daar blijven de beurzen vanwege Pinkstermaandag gesloten. Wel is er beweging genoeg, ondanks de vlakke aandelenkoersen. De daling van de grondstoffenprijzen trekt volop aandacht. Waarschuwde de Chinese overheid vijf dagen geleden al voor de speculatieve cryptohandel en werd het financiële instellingen verboden om diensten op dat vlak te verlenen, gisteren waarschuwden de Chinese autoriteiten professionele handelaren om niet met grondstoffen te speculeren of te hamsteren. Het gevolg laat zich raden. Op de Dalian Commodity Exchange, het grootste grondstoffen-handelsplatform van China, daalde de ijzerertsprijs met 7 procent waarmee deze 15 procent onder de top van vorige week staat.

Gaatje in de bubbel?

Een andere bubbel waar langzaamaan wat lucht uit verdwijnt is die van de IPO markt, en dan met name die van de SPAC’s, de blanco cheque ondernemingen. Blijkbaar hebben die al meer geld aangetrokken dan er goed kan worden geïnvesteerd. De IPOX SPAC Index is sinds het hoogste punt dat half februari werd neergezet met 23,4 procent gedaald. Blijkbaar sluipt er wat realiteitszin in die markt. Veel SPAC’s moeten het opgehaalde geld immers na twee jaar aan hun beleggers terugbetalen als ze geen geschikte investering hebben gevonden. In dat geval verdienen de oprichters dat de SPAC er niets aan. Onder die druk neemt de kans op een onverantwoorde investering, qua risico rendement, alleen maar toe, zeker als je met veel partijen in dezelfde vijver gaat vissen.

Bij Fintessa kijken we deze week vooral uit naar de eerste kwartaalcijfers van Nvidia, die woensdag nabeurs worden gepubliceerd. De verwachtingen zijn hooggespannen, zeker omdat de onderneming in april al bekendmaakte dat de omzet de eerdere verwachtingen zou overtreffen. Analisten rekenen nu op een omzet van 5,39 miljard dollar (+79,7 procent) en een winst per aandeel van 3,27 procent (+81,7 procent). Afgelopen vrijdag steeg het aandeel overigens nog een fraaie 2,6 procent door 1-op-4 aangekondigde aandelensplitsing.
Daarnaast wordt het vooral uitkijken naar allerlei macro-economische cijfers. Zo worden onder andere de economische groeicijfers van landen als Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten gepubliceerd, net zoals het vertrouwen van de consumenten uit die landen. En als toetje krijgen we aankomende vrijdag de door het Amerikaanse ministerie van Handel gepubliceerde inflatiecijfers.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.