Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 24-08-2021

De rente zal nog lang laag blijven

Motor van de rally

Later deze week komen de centrale bankiers bijeen in Jackson Hole. De aandacht gaat vooral uit naar de speech van de gouverneur van de Federal Reserve, Jerome Powell. Er wordt niet verwacht dat de Amerikaanse centrale bank iets gaat zeggen over de hoogte van de rente. Die zal nog wel even zo laag blijven als nu. Wel zou de Federal Reserve meer bekend kunnen gaan maken omtrent het maandelijkse opkoopprogramma van staats- en hypotheekobligaties. Gaan ze het tempo wellicht verminderen? Daar de centrale banken gezien worden als de voornaamste motor achter de huidige rally zet dit evenement deze week alle andere gebeurtenissen op de beurs in de schaduw.

Historisch lage rente

De historisch lage rente lijkt de voornaamste bron van de enorme stroom van liquiditeiten naar de beurs. Vaak wordt wel gezegd dat de rente nog nooit eerder zo laag was. Dat laatste is echter afhankelijk van hoe men ernaar kijkt. De nominale rente – waarbij niet gecorrigeerd is voor inflatie – heeft inderdaad nog niet eerder zo laag gestaan. Wanneer men daarentegen rekening houdt met de inflatie blijkt dat er zich vaker situaties hebben voorgedaan waarin de reële rente - wel gecorrigeerd voor inflatie - zo laag was.

Het gaat om de koopkracht

Het verschil tussen nominale en reële rente is wel van belang. Stel u ontvangt een mooie 7 procent couponrente op uw staatsobligatie. Het is voor velen wellicht nauwelijks voor te stellen, maar in de vorige eeuw was dat niet bijzonder. Het is in ieder geval aanmerkelijk meer dan de rente van 0,36 procent die beleggers momenteel moeten betalen over hun aan de staat uitgeleende geld. We hebben het hier in beide gevallen over een 10-jaars staatslening. Die 7 procent had echter een reden. De inflatieverwachting was destijds ook aanmerkelijk hoger. Stel, er is net een forse olieprijsverhoging doorgevoerd door de OPEC en de inflatieverwachting loopt op naar 8 procent. De reële rente blijkt dan 1 procent negatief! Dan bent u met die 0,36 procent negatief van nu toch iets beter af. Met andere woorden, het gaat niet om het bedrag dat u in de vorm van rente in handen krijgt, maar om de koopkracht ervan.

Drie keer eerder negatief

Nu blijkt de reële rente in de vorige eeuw tot drie keer toe negatief te zijn geweest. In de jaren ’60 onder meer door toedoen van de kapitaalcontroles van het Bretton Woods stelsel. Rondom de beide wereldoorlogen dook de reële rente echter veel dieper in het rood. Na afloop van zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog was de reële rente zelfs meer dan 5 procent negatief! Dat had veel te maken met de indertijd hoge inflatie. Maar er speelt meer. Net als destijds kampen ook nu de overheden wereldwijd met enorme tekorten op de begroting. De staatschulden zijn zo omvangrijk dat het waarschijnlijk onmogelijk is om daar op een normale manier weer vanaf te komen. Bezuinigen? Iedere politicus die dergelijke draconische bezuinigingen aankondigt wordt genadeloos weggestemd. Belastingverhogingen? Idem. Economische groei? Misschien, maar dan moet de economie wel jarenlang flink bovengemiddeld groeien. En dat in een sterk vergrijzende wereld?

Financiële repressie

Resteert eigenlijk nog maar één serieuze optie. Financiële repressie. Overheden, of beter hun handlangers de centrale banken, houden de rente laag. Lager dan anderzijds het geval zou zijn bij een bepaalde conditie van de economie. Het houdt de torenhoge schuldenlast betaalbaar. Enige inflatie kan daarbij ook geen kwaad. Inflatie zorgt er immers voor dat de waarde van geld afneemt, dus ook de waarde van uitstaande schulden. Jammer voor de vermogensbezitters. Zij financieren dit immers. Wat de Federal Reserve deze week ook mag besluiten, hou er maar rekening mee dat deze situatie van financiële repressie nog jaren zal kunnen aanhouden. Die staatschulden zijn niet één-twee-drie verdwenen. Doe er als belegger uw voordeel mee.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.