Auteur: Jan Bouius Datum: 24-09-2021

Don’t worry, it’s the Wall of Worry

Nadat er gisteren geen vuiltje aan de lucht leek en de beurzen in Europa en de Verenigde Staten enthousiast de weg omhoog zochten nadat de Fed duidelijkheid verschafte wat betreft het taperbeleid, keert vandaag de onrust rond het Chinese Evergrande weer terug. De grote vraag is of deze met schulden overladen vastgoedontwikkelaar gisteren zijn renteverplichtingen heeft voldaan, maar het blijft angstvallig stil. En niets is zo erg voor een belegger als onzekerheid. Wat dat betreft zouden er zomaar wat kwakkelweken op de beurs in aantocht kunnen zijn, want mocht het concern gisteren niet aan zijn verplichtingen hebben voldaan, dan krijgt het eerst nog 30 dagen de tijd om orde op zaken te stellen voordat een faillissement wordt uitgesproken. Ondanks deze zorgen weet de Shanghai Composite Index deze week toch met een miniem plusje te sluiten. Dat is mede dankzij de Centrale Bank van China, die al 5 achtereenvolgende dagen extra geld in het systeem pompt om voor voldoende liquiditeit te zorgen.

Deze onzekerheid én de stijgende tienjaarsrente in de Verenigde Staten zorgen ervoor dat de beurzen in Europa vandaag slecht uit de startblokken zijn gekomen. Daarnaast hebben we komende zondag de Duitse verkiezingen waarvan de uitslag de nodige impact op de beurs kan hebben. Het tijdperk Merkel is voorbij. Mocht er een groen-linkse regering uit de bus rollen, dan zou dat bijvoorbeeld goed kunnen uitpakken voor de grootse elektrificatie plannen van Volkswagen, maar met mogelijke huurbevriezingen weer negatief voor beursgenoteerde huisbazen als Vonovia en Deutsche Wohnen. Daarbovenop vindt er zondag in Berlijn ook nog een referendum plaats met als doel de woningen van het beursgenoteerde Deutsche Wohnen te onteigenen. Ondanks dat de gemiddelde huurprijs voor een appartement van 70 m2 slechts 500 euro bedraagt, vinden de Berlijners dat de huren de laatste tien jaar veel te hard zijn gestegen en dat zet kwaad bloed. Zo zie je maar weer dat de woningmarktproblemen zich niet alleen tot Nederland beperken.

Een ander punt van zorg blijven de wereldwijde aanvoerproblemen. Nike waarschuwde gisteren bij de publicatie van de kwartaalcijfers voor een mogelijk tegenvallend eindejaarseizoen. Bijna de helft van de sportkleding van Nike wordt in Vietnam geproduceerd en daar liggen enkele fabrieken al maanden stil vanwege corona. En eenmaal geproduceerd is het maar de vraag hoe snel de onderneming die producten in de winkels kan krijgen. Nabeurs zakte het aandeel dan ook 4 procent en het sleurt vanochtend de aandelen van concurrenten als Adidas en Puma mee naar beneden.

Is er dan alleen maar negatief nieuws? Gelukkig niet. McDonald’s, waar we bij Fintessa voor onze cliënten in beleggen, maakte gisteren bekend dat het concern het kwartaaldividend met 7 procent verhoogt naar 1,38 dollar per aandeel. Het dividendrendement komt hiermee op 2,25 procent te liggen. Daarnaast hervat de fastfoodketen, dat het meeste geld verdient met huurinkomsten van de franchisenemers, het inkoopprogramma van eigen aandelen.

Het is ook altijd maar de kwestie van hoe je naar het nieuws wilt kijken. Veel bedrijven en politici klagen vandaag de dag over de hard gestegen gasprijs. In Europa zijn hierdoor de prijzen dit jaar al 250 procent hoger. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat wil zelfs de mogelijkheid open houden om, indien nodig, wat extra Gronings gas uit de grond te halen. Dat is wellicht zuur voor veel mensen, maar je zou toch denken dat deze ontwikkeling voor Royal Dutch Shell als wereldmarktleider op het gebied van gas heel welkom is? Dat zien we nog niet echt in de koers van het aandeel terug. Ach, je een beetje zorgen maken is helemaal niet verkeerd, dat zorgt ervoor dat beleggers zich er weer van bewust worden dat risico en rendement hand in hand gaan.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.