Auteur: Martine Hafkamp Datum: 26-07-2021

Drukke week voor de boeg

Terwijl half Nederland geniet van een welverdiende vakantie, is het op de beurzen een drukte van belang. Het cijferseizoen is in volle gang en veel bedrijven openen deze week de boeken. Van de bedrijven uit de S&P 500 die tot nu toe de resultaten hebben gerapporteerd, presenteerde 86 procent een hoger dan verwachte winst.

Deze week is het onder andere de beurt aan het merendeel van de techgiganten. Alleen op de cijfers van Nvidia moeten we tot 18 augustus wachten. De bij elkaar opgetelde marktwaarde van de zogenaamde FANGMAN-aandelen (Facebook, Apple, Netflix, Google, Microsoft, Amazon en Nvidia) bedraagt voor het eerst in de geschiedenis meer dan 10 biljoen dollar. Het past in het beeld van een S&P 500 die afgelopen vrijdag op de hoogste stand ooit de week afsloot. We zijn inmiddels 179 handelsdagen verder sinds de laatste ‘correctie’ van 5 procent plaatsvond. De Dow sloot voor het eerst boven 35.000 punten.

Het lijkt wel of de markten niet meer mogen dalen. Vorige week maandag zagen we een daling van een paar procent, maar die werd door beleggers direct aangegrepen om in de markt te stappen. Dat is iets wat we de afgelopen tijd eigenlijk steeds zien. Mede door het heel ruime monetaire en fiscale beleid is er heel veel geld in omloop dat op zoek is naar een manier om (iets) meer rendement te maken dan op de spaarrekening. Wat dat betreft zijn overheden en monetaire autoriteiten heel marktverstorend bezig. Vorig jaar maart was daar de angst voor een diepe recessie wereldwijd toen er allerlei lockdowns werden afgekondigd. Vervolgens sprongen de centrale banken in de bres door de geldkranen wijd open te zetten. Overheden deden eveneens een forse duit in het zakje door met allerlei maatregelen de effecten van de door henzelf afgekondigde maatregelen weer te compenseren. In Europa werd dat gedaan in de vorm van allerlei steunmaatregelen voor bedrijven waardoor werknemers hun baan konden behouden. In de Verenigde Staten kregen burgers allerlei cheques en extra werkloosheidsuitkeringen zodat het geld kon blijven rollen.

Een deel van die liquiditeiten vloeide en vloeit nog steeds in de richting van de beurs en iedere dip wordt gezien als een koopmoment, ondanks de angst voor een eventueel oplopende inflatie op een nieuwe uitbraak van het coronavirus. Deze week hopen beleggers te horen of de Fed zich al concreet zal uitspreken over het al dan niet afbouwen van het ruime monetaire beleid. De woorden van Jerome Powell zullen dan ook op een goudschaaltje worden gewogen. Met de huidige enorme steun onder de markt van de monetaire autoriteiten lijkt beleggen voor veel mensen die nieuw zijn op de beurs een loterij zonder nieten. Niets is echter minder waar. Risico en (potentieel) rendement gaan altijd hand in hand.

Chinese autoriteiten trekken de touwtjes aan

Beleggers in Prosus ondervinden dat vandaag aan den lijve. De Chinese autoriteiten trekken steeds meer de touwtjes aan waar het de grote Chinese techgiganten betreft. Bedrijven die actief zijn op het gebied van online educatie kregen een tik op de vingers omdat de Chinese overheid van mening is dat hier geen geld aan mag worden verdiend. Daardoor zal dit soort ondernemingen het lastiger krijgen om nieuw geld op te halen. Daar kwam vervolgens het nieuws overheen dat Tencent binnen 30 dagen de exclusieve rechten op muziek moet opgeven in China. Daarnaast krijgt Tencent een boete van omgerekend 65.500 euro, al zal het bedrijf daar niet wakker van liggen. De Chinese autoriteiten zijn namelijk van mening dat de overname van China Music van vijf jaar geleden door Tencent met terugwerkende kracht in strijd is met de wet. Het blijkt steeds meer dat, als je als buitenlandse belegger belegt in Chinese beursgenoteerde ondernemingen, je feitelijk vooral met de Chinese autoriteiten te maken krijgt. Prosus plukt er vandaag met haar belang van 29,8 procent in Tencent met een koersdaling van meer dan 9 procent in de ochtendhandel de wrange vruchten van.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.