Auteur: Martine Hafkamp Datum: 11-10-2021

Een zorg minder

Het cijferseizoen staat op het punt van beginnen. De verwachtingen daarvoor liggen lager dan in eerdere kwartalen. De verwachte koerswinstverhouding voor de bedrijven uit de S&P 500 bedraagt nu 20,5. Dat is lager dan de 21,4 waar analisten eind juni op rekenden en de 21,8 waar eind maart nog van werd uitgegaan. Zo’n 71 procent van de bedrijven denkt van de verstoringen aan de aanbodzijde van de economie last te hebben in de resultaten. Desondanks gaan analisten (nog) uit van een verwachte winstgroei van gemiddeld 28,2 procent op jaarbasis.

Tot op heden lijden de beurskoersen er echter nog niet al te veel onder. Natuurlijk, de afgelopen tijd hadden we een paar mindere dagen op de beurs als gevolg van de zorgen over de ontmanteling van het Chinese Evergrande en de eventuele domino-effecten die daardoor zouden kunnen ontstaan, de oplopende energieprijzen en een rente die hoger is. In Google stijgt het aantal zoekopdrachten naar ‘stagflatie’ enorm. Maar, iedere keer als een van die zorgen (deels) wegvalt, blijken de beurzen over een enorme veerkracht te beschikken en gaan de koersen dus weer omhoog. De door velen gevreesde correctie lijkt er dan ook nog niet te komen. Natuurlijk, de lange rentes lopen wel iets op, maar die zijn nog lang niet op het niveau dat beleggen in staatsobligaties een alternatief is voor beleggen in aandelen. Het monetaire beleid is wereldwijd heel ruim en dat blijft het ook, waardoor aandelenkoersen de wind in de rug houden.

Het banenrapport van afgelopen vrijdag bracht daar geen verandering in. In plaats van de verwachte 500.000 nieuwe banen, kwam het aantal nieuwe arbeidsplaatsen over de maand september uit op 194.000. Vooral het aantal banen bij de overheid viel tegen. Misschien heeft het gesteggel over het verhogen van het schuldenplafond hier wel mede aan bijgedragen. Het aantal nieuwe banen over juli en augustus werd opwaarts bijgesteld. Het gemiddelde uurloon steeg wel meer dan verwacht, namelijk met 0,6 procent. Het werkloosheidspercentage daalde naar 4,8 procent. Dat het werkloosheidspercentage daalde kwam vooral doordat de participatiegraad iets daalde. Het arbeidspotentieel daalde met 183.000 om precies te zijn. Er zijn met andere woorden dus minder Amerikanen actief op zoek gegaan naar een baan. Totaal zitten er nog zo’n 3,1 miljoen Amerikanen die willen werken zonder een arbeidscontract.

Nu lijkt de banenaanwas in eerste instantie wellicht iets tegenvallend, maar deze is ongetwijfeld voor de Fed goed genoeg om volgende maand te beginnen met taperen. Powell heeft immers vorige maand aangegeven dat de Amerikaanse centrale bank vanaf dan het opkoopprogramma wil gaan afbouwen en dat het enige wat nog roet in het eten zou kunnen gooien een tegenvallend banencijfer zou zijn. En, hoewel het cijfer van afgelopen vrijdag de markt tegenviel, zal het voor de Fed goed genoeg zijn. Gemiddeld genomen moet de Amerikaanse economie namelijk maandelijks 100.000 tot 150.000 nieuwe banen creëren om de aanwas van de beroepsbevolking te kunnen opvangen. Het aantal nieuwe banen van september zit hier ruim boven. Daarmee lijkt er een zorg minder te zijn voor de financiële markten en lijkt er een zekerheid voor in de plaats te zijn gekomen.

Alphabet strijdt tegen nepnieuws

Alphabet zal op zowel Google als Youtube niet langer advertenties plaatsen bij nieuws of artikelen die de klimaatverandering of de bijdrage van het menselijk handelen daaraan ontkennen. Het nieuws is nog steeds wel te vinden, maar het zal niet meer door advertenties worden ondersteund. Daarmee moet het verdienmodel van de verspreiders van nepnieuws worden ondermijnd. Hiermee treedt het bedrijf in de voetsporen van Facebook, dat al eerder aankondigde dat het verspreiders van nepnieuws harder is gaan aanpakken. Bovendien wil een groeiende groep adverteerders natuurlijk niet dat hun advertenties bij nepnieuws worden geplaatst. Door deze maatregel te nemen wil Alphabet voorkomen dat deze afhaken en snijdt het mes voor het concern dus aan meer kanten.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.