Auteur: Martine Hafkamp Datum: 27-09-2021

Het kan vriezen en het kan dooien

Ondanks het neerzetten van een nieuw record voor de AEX vorige week is het momentum op de internationale beurzen niet persé heel sterk. De situatie in China met het langzame afsterven van projectontwikkelaar van vastgoed Evergrande blijft onduidelijk, net als de mogelijke implicaties voor de rest van de wereld. Zo op het eerste gezicht zouden die mee kunnen vallen, aangezien het merendeel van de enorme schuldenlast van het concern binnen China uitstaat en gefinancierd is in lokale valuta. Van een aantal Chinezen dat in Evergrande heeft geïnvesteerd kan daardoor de pensioenvoorziening in gevaar komen. Het lijkt uit te monden in een geordend faillissement. Zoiets begint altijd met een liquiditeitscrisis. Niet voor niets heeft de People’s Bank of China, de centrale bank van China, al een aantal dagen achter elkaar geld in het financiële systeem gepompt.

De teloorgang van Evergrande zal ongetwijfeld negatieve implicaties hebben voor het groeitempo van de Chinese economie. Om een kapitaalvlucht te voorkomen heeft China alle handel in crypto’s verboden. Crypto’s kunnen volgens de Chinese overheid de veiligheid van bezittingen van Chinezen ernstig in gevaar brengen. Daar hebben ze natuurlijk gelijk in en daarom is het logisch dat ze deze actie ondernemen, daar is een communistische overheid immers voor. Overigens heeft de Chinese overheid dit ook al in 2013 en 2017 gezegd. Het is dus niet nieuw. Alleen het aanbieden van crypto’s is strafbaar in China, het bezit niet. De overheid kan alleen drempels opwerpen. Dus zal het dit keer ook wel weer loslopen. Het minen van crypto’s is al een paar maanden verboden. Daarom zijn veel delvers vertrokken naar o.a. Mongolië. China was de grootste miner ter wereld. Handel via beurzen (behalve Hongkong) is al sinds 2017 verboden, OTC wordt die nog steeds oogluikend toegestaan.

Daar komt nog eens bij dat er in China maar liefst 23 provincies hun doelstellingen om aan energiebesparing te doen niet hebben gehaald, waardoor er vanuit de Chinese overheid druk zal worden uitgeoefend hier alsnog aan te voldoen. Het beleggingsklimaat zou daardoor best wel eens iets guurder of in ieder geval onstuimiger kunnen worden.

Bovendien is de rente voor de beurzen natuurlijk altijd een belangrijke factor en daar lijkt in de afgelopen week een draai in te zijn ontstaan, naar boven wel te verstaan. Als die beweging doorzet, zal dat implicaties hebben voor de koersen van aandelen. De Amerikaanse rente begon op te lopen toen beleggers de woorden van Jerome Powell in de toelichting op het rentebesluit nog eens wat nader gingen analyseren. De Fed gaat namelijk niet alleen sneller, maar ook eerder met de afbouw van het maandelijkse opkoopprogramma van 120 miljard starten. Er zal immers in plaats van december al in november een begin worden gemaakt. De afbouw van dit stimuleringsprogramma zal, zoals het er nu naar uitziet, zo’n acht maanden in beslag nemen, aangezien het bedoeling is dat het rond de zomer moet zijn afgerond.

Dat snellere afbouwen van steun zal op de langere termijn zeker een effect kunnen hebben op de rente. Daar staat tegenover dat het beroep op de kapitaalmarkt de komende jaren ook kan meevallen omdat veel bedrijven al hebben geprofiteerd van de lage rente door zich goed te financieren en veelal ook de looptijden van hun uitstaande leningen hebben verlengd. Hetzelfde geldt voor een groot aantal overheden. Zo bezien valt de Fed met die 120 miljard dollar per maand weliswaar weg als koper van obligaties maar valt aan de andere kant het aantal nieuwe leningen dat moet worden uitgegeven relatief mee. Daardoor hoeft de rente vanuit dat oogpunt niet per definitie fors hoger komen te liggen. Maar, een ander belangrijke drijfveer voor de rente is natuurlijk de inflatie en de ontwikkeling daarvan zal de komende maanden met argusogen in de gaten worden gehouden.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.