Auteur: Krist Plazier Datum: 14-10-2021

Het staat geschreven: midden november start het taperen

Gisteravond werden de notulen bekend gemaakt van de vergadering van de Federal Reserve in september. Hierin werd bevestigd wat Fed-voorzitter Jerome Powell al vertelde na afloop van de vergadering; de doelen zijn vrijwel bereikt (prijsstabiliteit en volledige werkgelegenheid) en daarom zal over ongeveer een maand het stelsel van Amerikaanse centrale banken beginnen met het afbouwen van het opkoopprogramma van staats- en hypotheekobligaties (Treasurys en mortgage-backed securities) dat in juni 2020 ingesteld werd om de Verenigde Staten door de coronapandemie heen te helpen. In Angelsaksische landen wordt dit afbouwen ‘taperen’ genoemd. Momenteel koopt de Fed maandelijks voor 80 miljard dollar aan treasurys op en voor 40 miljard dollar aan MBS. De gisteren gepubliceerde notulen geven aan dat er per maand 10 miljard dollar minder aan treasurys gekocht zal gaan worden en voor 5 miljard dollar aan MBS. Indien dit de komende maanden zo volgehouden zal gaan worden (niets is zeker, en een ingrijpen blijft mogelijk indien nodig; zo dateren de notulen bijvoorbeeld van voor de teleurstellende arbeidsmarktcijfers van afgelopen vrijdag), zal de Fed ergens midden 2022 klaar zijn met afbouwen. Vervolgens zal dan eind 2022 waarschijnlijk een eerste rentestap omhoog gezet kunnen worden. Maar nogmaals: ceteris paribus. Opmerkelijk in de notulen was dat sommige officials hun twijfels uitspraken over of de inflatie inderdaad wel tijdelijk zou zijn zoals ze eerder hadden aangenomen.

De Amerikaanse effectenmarkten reageerden positief op de gepubliceerde notulen want er kwam geen konijn uit de hoge hoed. De NASDAQ en de S&P-500 gingen licht hoger de dag uit en de Dow vlak. De Amerikaanse 10-jaars rente daalde lichtjes op de berichten, evenals de waarde van de dollar ten opzichte van de euro. Alvorens daadwerkelijk het taperen zal aanvangen, volgt er eerst nog een nieuwe Fed-vergadering op 2 en 3 november.

Elektrisch rijden kost banen

De overgang van fossiele voertuigen naar elektrische varianten gaat banen kosten in de automobielindustrie. Tenminste, in ieder geval bij het Volkswagenconcern aldus bestuursvoorzitter Herbert Diess bij een presentatie voor de Raad van Commissarissen van het concern. Als gevolg van het feit dat er bij een elektrische auto minder (bewegende) onderdelen gebruikt worden dan bij auto’s met een verbrandingsmotor, zijn er minder ‘handjes’ nodig om auto’s in elkaar te zetten. Diess schat in dat er 30.000 minder banen nodig zullen zijn bij het grootste autoconcern van Duitsland. Bij het volledige concern werken er ruim 662.000 mensen. Dus op het totale werknemersbestand betekent het een reductie van zo’n 4,5 procent. Naast het feit dat er minder werk is, is het voor Volkswagen ook noodzakelijk om te snijden in het personeelsbestand volgens Diess. De kosten van het concern zijn namelijk een stuk hoger dan bij de concurrentie. Indien er niet ingegrepen wordt in de kosten kan dat drastische gevolgen hebben voor Volkswagen, zo stelde de CEO.  Het commentaar van een Volkswagen-woordvoerder op de berichten was dat er inderdaad nagedacht wordt over het concurrentievermogen van de fabriek in Wolfsburg in verband met de komst van Tesla in Duitsland, maar dat de genoemde getallen nergens op zijn gebaseerd. Er zijn nog geen concrete plannen voor ontslagrondes.

Beleggers waren gisteren blij met het voornemen van Diess want minder banen betekent minder kosten en dus meer winst. Zo hard is het nou eenmaal in de financiële wereld. De preferente aandelen van Volkswagen (waar wij voor onze cliënten in beleggen) gingen gedurende de dag ruim 4 procent hoger. Helaas kon dit niet vastgehouden worden tot aan het slot. De aandelen gingen 2,7 procent hoger de dag uit. Gelukkig wordt de stijging van de aandelenkoers vandaag voortgezet met een plus van zo’n 1,5 procent. Ook de gewone aandelen van Volkswagen gingen hoger (1,4 procent) en de aandelen Porsche Holding (dat 53,3 procent van de gewone aandelen van Volkswagen bezit) gingen 3,2 procent hoger.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.