Auteur: Jan Bouius Datum: 20-10-2021

Inflatiewaarschuwing Procter & Gamble

Ondanks dat Procter & Gamble in het afgelopen kwartaal een hogere dan verwachte winst én omzet realiseerde, was dat gisteren niet voldoende om aandeelhouders te bekoren. De producent van onder andere Gillette scheermesjes, Ariel waspoeder, Oral-B tandenborstels, Vicks keelpastilles en Pamper luiers waarschuwde, net zoals Danone eerder op de dag, voor stijgende inputkosten en daar schrokken beleggers klaarblijkelijk toch lichtelijk van.

Procter & Gamble beraamt deze tegenwind nu op 2,3 miljard dollar; 2,1 miljard door hogere grondstoffenkosten en 200 miljoen dollar als gevolg van hogere vervoerskosten. Dat is 400 miljoen dollar meer dan de eerdere raming. Het effect van de stijgende kosten is al bij de huidige kwartaalresultaten te zien. De brutomarge daalde met 370 basispunten, voornamelijk door die stijgende kosten (350 bp) en werd slechts gedeeltelijk gecompenseerd door prijsverhogingen (50 bp).

Dat neemt niet weg dat de autonome omzetgroei van 4 procent twee keer zo hoog was als de verwachtingen van analisten en dat de winst per aandeel van 1,61 dollar de consensus met 2 cent overtrof. Procter & Gamble bevestigde daarbij de outlook en verwacht de kostenstijgingen nog wel te kunnen compenseren door prijsverhogingen en operationele kostenbesparingen. Voor de winst per aandeel betekent dat deze dit jaar in de range van 5,83-6,00 dollar zal uitkomen, waarbij rekening wordt gehouden met een negatief kosteneffect van 90 dollarcent. Tevens zal Procter & Gamble, dat bekend staat als dividendkoning, dit jaar 8 miljard dollar aan dividend uitkeren en voor 7-9 miljard dollar aan eigen aandelen inkopen. Daarmee blijft dit defensieve aandeel geliefd bij veel beleggers.

Goed nieuws uit Zwitserland

Vanochtend verhoogden Nestlé en Roche beiden hun omzetverwachtingen voor dit jaar. Voor Nestlé betrof het al de tweede omzetverhoging. In plaats van een te verwachten omzetstijging in de range van 5-6 procent, gaat het concern nu uit van een autonome omzetgroei van 6-7 procent. De sterke koffieverkopen van Nescafé, Nespresso en Starbucks zijn daarbij de grootste groeidrijver, waarbij Starbucks met een omzetgroei van 15,5 procent de kroon spant. Daarnaast ziet Nestlé haar inspanningen op het gebied van dierenvoeding beloond met een dubbelcijferige groei.

Over de eerste negen maanden van dit jaar kwam de omzet uit op 63,3 miljard Zwitserse frank, een stijging van 2,2 procent. Wisselkoersschommelingen en desinvesteringen drukten daarbij de omzet met respectievelijk 2,0 en 3,3 procent. Autonoom steeg de omzet met 7,6 procent waar de markt uitging van 6,6 procent. De gestegen inputkosten worden goed doorberekend, Nestlé heeft zijn eigen prijzen afgelopen kwartaal met 2,1 procent kunnen verhogen. Nestlé verwacht dan ook nog steeds dit jaar een onderliggende operationele marge van ongeveer 17,5 procent te behalen én deze zelfs op wat middellange termijn te kunnen verbeteren.

Ook Roche heeft de wind goed in de zeilen dankzij de vraag naar COVID-19 tests. De diagnostische divisie van Roche die deze testen maakt zag de omzet afgelopen kwartaal met 18 procent stijgen en over de eerste negen maanden zelfs met 39 procent. Intussen draagt deze divisie al 28,5 procent bij aan de totale omzet van Roche, waar dat een jaar eerder nog op 22 procent lag. Bij de farmaceutische divisie, die vorig jaar wel te lijden had van de coronapandemie, groeide de omzet het afgelopen kwartaal met 5 procent, na een daling van 9 procent in het eerste kwartaal en een stijging van 4 procent in het tweede. Roche zit daarmee weer op het goede spoor. De totale omzet dikte over de eerste negen maanden met 8 procent aan tot 46,68 Zwitserse frank. Deze goede resultaten plus de geboekte progressie bij toekomstige medicijnen uit de pijplijn zijn voor Roche reden genoeg om de outlook voor dit jaar te verhogen van 1-5 procent omzetgroei tot rond de 5 procent omzetgroei tegen constante wisselkoersen. De winst per aandeel zal daarbij in lijn van de omzet stijgen.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.