Auteur: Jan Bouius Datum: 03-11-2021
Leven van de wind?
Hoe graag we ook de omschakeling van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen zouden willen versnellen, we moeten realistisch blijven en beseffen dat dat niet van vandaag op morgen kan. Zo mag de wind wel een onuitputtelijke bron van energie zijn, maar betrouwbaar is ze niet altijd. Dat bleek vanochtend ook uit de kwartaalcijfers van Ørsted.
Over de eerste negen maanden van dit jaar behaalde Ørsted een operationele winst (EBITDA) van 16 miljard Deense kronen, een stijging van 2,9 miljard Deense kronen. Op het eerste gezicht is daar niets mis mee, maar daar zit ook een eenmalige post van 5,3 miljard Deense kronen in vanwege de verkoop van een belang van 50 procent in Borssele 1 & 2 uit het tweede kwartaal van dit jaar. Zonder deze post zou de operationele winst met 18 procent zijn gedaald tot 10,7 miljard kronen en dat klinkt minder fraai. Gaat het dan zo slecht met Ørsted? Nee! Maar helaas waait het dit jaar minder hard dan normaal waardoor Ørsted’s windmolens minder omzet draaien. Over de eerste negen maanden van dit jaar scheelt dit de onderneming al gauw 2,5 miljard Deense kronen aan EBITDA ten opzichte van vorig jaar en 1,7 miljard kroon vergeleken met een normaal windjaar.
Nu komt dit niet zomaar uit de lucht vallen, maar de trend van het eerste halfjaar heeft zich in het derde kwartaal doorgezet. De afgelopen drie maanden lag de windsnelheid op 7,6 m/s waar dat normaal op 8,3 m/s ligt. Dat drukte de operationele winst met ongeveer 700 miljoen Deense kronen. Bij normale windsnelheden zou Ørsted in het afgelopen kwartaal een groei van de EBITDA hebben gerealiseerd ter grootte van 320 miljoen kronen in plaats van de nu gerealiseerde daling van 380 miljoen kronen. Die daling had nog groter kunnen uitpakken ware het niet dat de Bioenergy & Other-divisie de meubelen aardig redde. Deze tak van sport zag de operationele winst met maar liefst 222 procent stijgen tot 1,2 miljard Deense kronen.
Netto bleef er onder de streep een winst van 487 miljoen kronen over, waar dat een jaar geleden nog 12 miljard kronen was. Maar ook hier zien we een vertekend beeld. In het derde kwartaal van vorig jaar verkocht Ørsted haar Deense stroomdistributie-, de residentiële klanten- en City Light-activiteiten aan SEAS-NVE met een winst van 11,1 miljard Deense kronen. De onderliggende nettowinst daalde ‘slechts’ van 895 miljoen kronen naar 487 miljoen kronen.
Ørsted laat zich echter door de wat zwakkere wind niet van de wijs brengen en blijft onverstoord doorgaan met het uitbreiden van de capaciteit. Voor de periode 2020-2027 heeft het voor 350 miljard Deense kronen aan kapitaaluitgaven gepland, waarvan 40 miljard kronen dit jaar. Momenteel heeft Ørsted een geïnstalleerde basis van 12.678 MW en is er 3.861 MW onder constructie. Daarnaast zijn er voor 8.687 MW aan projecten toegekend. Dat brengt de totale capaciteit straks tot 25.226 MW. De doelstelling is om in 2030 over een totale hernieuwbare energiecapaciteit te beschikken van 50 GW waarvan 30 GW aan offshore windenergie.
Ørsted houdt vast aan de outlook voor dit jaar en dat is een EBITDA van iets meer dan 15 miljard Deense kronen, ex de winst op Borssele, maar wel uitgaande van normale windsnelheden in de rest van het jaar. Dat komt neer op een operationele winst in het vierde kwartaal van ongeveer 4,2 miljard kronen. Echt schrikken doen de beleggers niet van de ietwat teleurstellende cijfers, hoewel de koers wel met 2,5 procent daalt. Na de enorme koersstijgingen van vorig jaar heeft de groene energiesector het dit jaar lastiger en staan ze per saldo met z’n allen in de min en dat in een positief beursjaar. Neemt niet weg dat de toekomstperspectieven goed zijn, alleen al door het feit dat we niet om de energietransitie heen kunnen. Wie weet kan ‘ons’ ABP de sector wat nieuw leven inblazen. Die gaat immers de komende jaren gefaseerd uit de fossiele brandstoffen en zal de opbrengsten daarvan, onder ander uit de verkoop van Shell, zoveel mogelijk herinvesteren in hernieuwbare energie. Bij Fintessa spreiden we liever en blijven we, voorlopig in ieder geval, nog op beide paarden ‘wedden’…
Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten
Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021
Inflatie maakt beleggers nerveus
Consumenten Prijs Index
Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.
Einde aan TINA?
Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?
Basiseffecten
Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.
Markt voor tweedehands auto’s explodeert
Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.
Irrational exuberance
Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.