Auteur: Krist Plaizier Datum: 12-08-2021

Opluchting op de markten na Amerikaanse inflatiecijfers

Het lijkt erop dat de centrale bankiers van de Federal Reserve gelijk krijgen met hun voorspelling dat de snel stijgende inflatie van de afgelopen maanden slechts tijdelijk zal zijn. Tenminste, als we de Amerikaanse inflatiecijfers over juli bekijken. Deze werden gisterenmiddag bekend gemaakt. Het feit dat de stijging van de consumentenprijzen lijkt af te vlakken, zorgde voor opluchting onder beleggers. Diverse effectenindices sloten gisteren (wederom) op recordhoogten, waaronder onze eigen AEX, de Dow Jones en de S&P 500.

De consumentenprijzen plusten in juli in de Verenigde Staten met 0,5 procent, hetgeen ook de verwachting onder economen was. In juni was er nog een stijging van 0,9 procent. Op jaarbasis is dit 5,4 procent waar de kenners een tiende minder verwachtten. Ter bepaling of er wellicht gestopt moet worden met het stimuleren van de economie door de centrale bank, kijkt de Federal Reserve echter naar de ontwikkeling van de kerninflatie. Dit is de inflatie zonder de volatiele energieprijzen en voedselprijzen. Deze kerninflatie in juli bedroeg 0,3 procent op maandbasis. Op jaarbasis is dit 4,3 procent. Dit was lager dan verwacht. Zoals ook al in de vorige maanden werd de inflatie met name veroorzaakt door de hogere energieprijzen (23,8 procent hoger ten opzichte van een jaar geleden) en de hogere prijzen van tweedehands auto’s in de Verenigde Staten. Omdat de aflevering van nieuwe auto’s wat langer duurt tegenwoordig als gevolg van een tekort aan chips, kopen de Amerikanen veel tweedehands auto’s. De extra vraag heeft ervoor gezorgd dat deze auto’s nu 41,7 procent duurder zijn dan een jaar geleden. 

Verdeelde kwartaalcijfers voor Ørsted

De tweede kwartaalcijfers die het Deense duurzame nutsbedrijf Ørsted vanochtend publiceerde waren verdeeld. De omzet kwam onder de analistenconsensus uit, de winst was echter beter dan verwacht. De winst werd vooral gevoed door de verkoop van 50 procent in het windpark voor onze eigen Noorzeekust (Borssele 1 & 2). Dit leverde 5,4 miljard Deense kronen op. Hoewel de Denen vasthielden aan hun eerder uitgesproken verwachting voor de operationele winst over heel 2021 van tussen de 15 en 16 miljard Deense kronen, verwacht men wel geraakt te worden door significant minder (krachtige) wind dan normaal. Er wordt een significant lager resultaat verwacht voor de offshore winddivisie. Over het eerste halfjaar bedroeg de impact van minder wind al 1,4 miljard Deense kronen. De lagere winst uit offshore wind werd ten dele goedgemaakt met hogere gasverkopen. De operationele winst over 2021 zal echter dichter bij de 15 dan bij de 16 miljard Deense kronen liggen. Dit is overigens exclusief de winst die behaald werd op de verkoop van Borssele 1 & 2. De (verkapte) winstwaarschuwing zorgde voor een lagere opening van het aandeel vanmorgen in Kopenhagen.

De omzet in het tweede kwartaal kwam uit op 13,55 miljard Deense kronen waar er 14,24 miljard Deense kronen werd verwacht. De operationele winst kwam dus wel hoger uit dan verwacht op 8,2 miljard versus 7,72 Deense kronen. Onder aan de streep bleef er 5,54 miljard Deense kronen (875 miljoen dollar) aan nettowinst over. De analistenconsensus bedroeg hier 4,78 miljard Deense kronen. Vorig jaar maakte Ørsted nog een verlies van 0,825 miljard Deense kronen in het tweede kwartaal. 

Vorige week woensdag maakte Ørsted bekend dat het 376 megawatt krachtige windpark in Texas gereed was voor inbedrijfname. Er staan 130 molens welke stroom gaan leveren voor onder meer PepsiCo, Hormel Foods en staalgigant Nucor. Het is het grootste onshore windproject van Ørsted. Daarnaast maakten de Denen bekend in Texas stroom te gaan leveren aan DSM opgewekt door hun zonnepark aldaar. Ørsted zal dit jaar meer gaan investeren dan de eerder aangegeven 32 á 34 miljard Deense kronen. Waarschijnlijk zullen de investeringen uitkomen tussen de 39 en 41 miljard Deense kronen.

Maak vrijblijvend een afspraak met een van onze specialisten

 

Auteur: Jan-willem Nijkamp Datum: 13-05-2021

Inflatie maakt beleggers nerveus

Consumenten Prijs Index

Dinsdag waren de beurzen al gedaald vooruitlopend op de inflatiecijfers van een dag later. Er was toch wel enige vrees dat het Bureau of Labor Statistics in de Verenigde Staten een CPI (Consumer Price Index) zou publiceren waar beleggers niet erg vrolijk van konden worden. Het was nog erger. Het mandje van prijzen van goederen en diensten dat gezamenlijk de inflatie meet bleek op jaarbasis met niet minder dan 4,2 procent te zijn gestegen. Dat terwijl er een toename van 3,6 procent was verwacht. Ook op maandbasis liepen de prijzen veel harder op dan ingeschat, met 0,8 procent. Een prijsstijging die we sinds 2008, voordat de kredietcrisis uitbrak, niet meer hadden gezien. Daar de beurzen al hadden geanticipeerd op slechte cijfers duurde het even voor er duidelijk richting werd gekozen door beleggers. Maar uiteindelijk zetten de beurzen de weg naar beneden in. Ook vandaag volgen de markten in Europa die van de Verenigde Staten. Zo staat de AEX inmiddels 6 procent onder zijn hoogste koers van begin deze maand.

Einde aan TINA?

Is deze vrees terecht? Beleggers zijn immers al jaren gewend aan een historisch lage inflatie. Als gevolg daarvan kon ook het rentepeil naar ongekende diepten wegzinken. In ons werelddeel is er zelfs al enkele jaren sprake van een negatieve rente. Het joeg spaarders naar de beurs onder het motto dat er geen alternatief was voor een belegging in aandelen (TINA). De aanwassende stroom van geld naar de beurs stuwde de koersen verder op en dat trok op zijn beurt weer nieuwe beleggers aan. Niets heeft zo’n aantrekkingskracht als voortdurende koerswinsten. Beleggers werden daarbij geholpen door de centrale banken die met regelmaat lieten weten voorlopig niet van plan te zijn de rente weer te gaan verhogen. Zelfs een enigszins oplopende inflatie zou ze niet van mening doen veranderen. Maar 4,2 procent?

Basiseffecten

Hoe houdbaar is dan het ruime monetaire beleid nog? Veel beleggers nemen het zekere voor het onzekere en gingen over tot verkoop van hun aandelen. Maar reageren ze niet te snel? De snelle toename van de prijzen kan toch moeilijk als een verrassing zijn gekomen. De pandemie zorgde een jaar geleden voor een enorme prijsdaling van allerlei diensten waar plots weinig behoefte meer aan was. Zo zakte de CPI in april vorig jaar diep weg. Met dit lage niveau als vergelijkingsbasis is het dan ook niet zo vreemd dat een jaar later – in een zich snel herstellende economie – de prijzen hard oplopen. Economen spreken in zo’n geval van basiseffecten. Voor de duidelijkheid, het algemene prijspeil is nog steeds lager dan dat van voor de uitbraak van het virus. Het is het tempo van de groei, niet het absolute prijspeil, dat momenteel zorgen baart.

Markt voor tweedehands auto’s explodeert

Opvallend is verder dat er geen sprake is van een prijsstijging over de gehele linie. Zo blijkt uit een nadere analyse dat de forse toename van de prijzen toe te schrijven is aan diensten die slechts voor 13 procent uitmaken van de consumentenbestedingen. Zo liepen vooral de prijzen van gebruikte auto’s en trucks, hotelovernachtingen, restaurants, vliegtrickets, autoverzekeringen, kaartjes voor evenementen en musea en autoverhuur sterk op. Juist die prijzen waren in de pandemie het hardst gedaald en lopen nu het meest op. In de pandemie hadden autoverhuurbedrijven een gedeelte van hun vloot in de verkoop gedaan en nu dienden ze hun voorraad als de wiedeweerga weer aan te vullen. Daar nieuwe auto’s sowieso moeilijk verkrijgbaar zijn (vanwege het chiptekort) explodeert de markt voor tweedehands auto’s.

Irrational exuberance

Maar wat zegt deze prijsstijging over de brede economie? De centrale banken hebben steeds gesteld dat de inflatie slechts van tijdelijke aard zal zijn. Op zeker moment zullen vraag en aanbod elkaar weer vinden en normaliseren de markten weer. Bedenk ook dat de switch van diensten naar goederen tijdens de pandemie weer vice versa zal zijn zodra de meeste mensen gevaccineerd zijn. Met andere woorden, waar de prijzen van allerlei diensten weer op zullen lopen, kunnen juist de prijzen voor goederen en grondstoffen (die nu hard stijgen) weer zakken. Ondanks alle onrust staat het algemeen prijsniveau nog steeds onder het niveau van de lange termijntrend waar bijvoorbeeld de Federal Reserve de prijzen zou willen hebben. Bedenk dat de kerninflatie momenteel 3,0 procent is. Dat lijkt veel, maar is exact het niveau waar ze bijvoorbeeld in 1996 ook stond. Hoewel de toenmalige gouverneur van de Fed Alan Greenspan toen waarschuwde voor irrational exuberance zouden de beurzen nog vier jaar verder stijgen.