Datum: 20-09-2021

Geest uit de (inflatie)fles?

Vorige week viel het Amerikaanse inflatiecijfer over de maand augustus mee. Deze daalde op jaarbasis namelijk van 5,4 procent in juli naar 5,3 procent in augustus. Het was de eerste daling sinds oktober vorig jaar. Op maandbasis bedroeg de toename 0,3 procent, en dat was de kleinste stijging in zeven maanden.

De kerninflatie, zonder voeding en energie, daalde meer dan verwacht, van 4,4 procent in juli naar 4,0 procent in augustus. Economen hadden hier op 4,2 procent inflatie gerekend. De hier en daar toch nog heersende angst voor een mogelijk vervroegde tapering verdween daardoor in eerste instantie naar de achtergrond.

Inflatie is bij lange na niet van tafel

Vervolgens werd er iets dieper op de cijfers ingezoomd. Dat de inflatie deze maand meeviel wil namelijk niet zeggen dat het thema inflatie daarmee van tafel is en dat beleggers aan taperen van de Fed zullen of kunnen ontkomen. Sterker nog, dat lijkt bij lange na niet het geval.

De inflatie in de Verenigde Staten is nog steeds 2,5 keer hoger dan de doelstelling van 2 procent zoals de Fed die hanteert. Dat de inflatie nu in ieder geval deze maand is gedaald, geeft nog geen enkele indicatie of dit zal doorzetten en zo ja, hoe snel of hoeveel dat zal zijn.

Tijdelijke prijsexplosies in bijvoorbeeld ijzererts en timmerhout mogen dan wel geheel teniet zijn gedaan, maar medische kosten en huren gaan binnenkort waarschijnlijk nog omhoog, om over de disrupties op de markt voor grondstoffen, chips en halffabricaten nog maar te zwijgen. En die zouden door de uitbraak van de deltavariant van het coronavirus zo maar nog eens iets langer kunnen duren. Aangezien de vraag het aanbod overtreft zullen de hogere prijzen die daar het gevolg van zijn, ongetwijfeld worden doorberekend aan de consument.

Stijgende lonen

En dan heb ik het nog niet eens gehad over de stijgende lonen. Die stijgen in het hoogste tempo van de afgelopen tien jaar. Eenmaal gestegen lonen zijn als tandpasta uit de tube, die draai je niet meer terug. En laat Amazon nou net vorige week zijn ‘Career Day’, het grootste wervingsevenement van personeel in de Verenigde Staten, houden en het gemiddelde startersuurloon willen verhogen.

Nadat Amazon in 2020 zijn personeelsbestand al van 798.000 fulltime en parttime medewerkers uitgebreid had naar 1.298.000 medewerkers (+63 procent!), kondigde het concern onlangs aan nog eens 125.000 nieuwe magazijnbediendes en vrachtvervoerders nodig te hebben. Dit om de dit jaar nog te openen 100 distributiecentra in de Verenigde Staten te bemannen en alle pakketjes die worden verstuurd te transporteren en de levering binnen 24 uur voor Amazon Prime leden te garanderen.

Amazon bezorgt in de Verenigde Staten nu al meer pakketjes bij de mensen thuis dan pakjesbezorger UPS. Die 100 nieuwe distributiecentra komen bovenop de 250 die er de afgelopen tijd al bijgekomen zijn. Amazon stampt zo bezien bijna één zo’n centrum per dag uit de grond.

Om al dat nieuw aan te werven personeel over de streep te trekken en het oude te behouden zal het gemiddelde startersuurloon met maar liefst 20 procent worden verhoogd worden naar 18 dollar. In regio’s met grote arbeidskrapte kan het startersuurloon zelfs opgetrokken worden naar 22,50 dollar en krijgen de nieuwe personeelsleden ook nog eens een tekenbonus van 3.000 dollar.

Geest uit de fles

In mei had Amazon het nog over een verhoging van het aanvangssalaris naar 17 dollar per uur, maar er zijn overduidelijk meer kapers op de kust waar het gaat om de zoektocht naar nieuw personeel. Daarmee lijkt de geest uit de fles.

Bedrijven als Walmart en Target zullen immers in deze trend moeten meegaan waardoor de kans op een langdurige hogere inflatie dan verwacht verder toeneemt. Dat hoeft geen probleem zijn als de economische groei op gezond niveau blijft. Beleggers doen er echter wel verstandig aan zich vooral te richten op die bedrijven die de hogere kosten aan hun afnemers kunnen doorberekenen.